Leven
Eisenach (1685-1695)
Bach werd op 21 maart 1685 te Eisenach in de (huidige) Duitse deelstaat Thüringen geboren als telg van een oud muzikaal geslacht (over 7 generaties telde zij meer dan 100 musici). Gedoopt werd hij op 23 maart in de Sankt Georgenkirche, gelegen op het centrale stadsplein van Eisenach waaraan ook het stadskasteel van de vorsten van Sachsen-Eisenach is gelegen. Als tweede naam kreeg de dopeling de naam van zijn peetvader, Sebastian Nagel, stadsblazer uit Gotha. Hij kreeg op jonge leeftijd van zijn vader Johann Ambrosius Bach vioolles.
Ohrdruf (1695-1702)
Op negenjarige leeftijd werd hij wees en kwam hij vervolgens terecht in het gezin van zijn oudste broer Johann Christoph Bach, die kerkorganist was in het dorp Ohrdruf. Hij was het die het bijzondere muzikale talent van de jonge Johann Sebastian opmerkte en die zijn jongste broer de beginselen van het muziek maken bijbracht, vooral wat betreft het bespelen van het orgel en het klavecimbel. Het was in deze periode dat Bach, voornamelijk op eigen kracht, met het componeren begon. Een belangrijk deel van de zogeheten 'Neimeister-Choräle' die in 1984 in Yale, USA ontdekt werden - een verzameling van enkele tientallen korte koraalvoorspelen voor orgel - dateert uit deze vroege periode.
Johann Sebastian kreeg in 1700-1702 een beurs om gedurende drie seizoenen op het Michaelis gymnasium in Lüneburg in Noord-Duitsland te studeren. In Lüneburg studeerde hij bij Georg Böhm, een beroemd componist en organist van de Sankt Johanneskirche aldaar, wat bevestigd wordt door de vondst in augustus 2006 in de Hertogin Anna Amaliabibliotheek in Weimar van twee kopieën van Bachs hand (in Nieuwe Duitse orgeltabulatuur) van twee grote Noordduitse koraalfantasieën van Dietrich Buxtehude en Jan Adam Reinken.
Organist te Arnstadt (1702-1707)
In zijn 18de levensjaar vond Bach tijdelijk werk in Weimar, als violist (“Laquey”) in het plaatselijke hoforkest. Niet lang daarna, op 13 juli 1703, wijdde hij het nieuwe van de Neue Kirche (thans 'Bachkirche') in Arnstadt in. Bach werd in de administratie van de kerk ten onrechte hoforganist genoemd (hij was in deze periode nog slechts violist aan het hof) en mogelijk hierdoor ontving Bach voor het inwijden van het orgel een riante financiële vergoeding.
Een maand later werd Bach tot organist van de Neue Kirche in Arnstadt benoemd. Ook voor deze functie werd Bach –gezien zijn leeftijd en staat van dienst op dat moment- royaal betaald (hij verdiende ongeveer het dubbele van wat zijn latere opvolger zou krijgen). Niet ondenkbaar is dat hij bevoordeeld werd door de invloed van een prominent familielid, de ziekenhuisdirecteur en vroegere burgemeester van Arnstadt Martin Feldhaus. Feldhaus moest zich enkele jaren later voor het gerecht verantwoorden wegens verduistering en werd uit al zijn ambten ontheven.
Volgens zijn contract moest Bach de zondagse kerkdienst, het gebedsuur op maandag en de vroege preek op donderdag op het orgel begeleiden. Verder had hij contractueel geen verplichtingen. Bach weigerde –mede op grond van dit contract- dan ook regelmatig met het schoolkoor van zijn kerk te musiceren. Waarschijnlijk speelde ook mee dat Bach het koor en het orkest te matig van kwaliteit vond. Dit leidde tot enkele conflicten, waaronder een serieus treffen met de student Johann Heinrich Geysersbach die, nadat Bach tijdens een repetitie een beledigende opmerking zou hebben gemaakt over zijn muzikale kwaliteiten, Bach in het gezicht sloeg, waarna Bach zich met een degen verdedigde.
Nadat deze zaak onderzocht was, werd Bach aangeraden om toch met koor te musiceren. In plaats hiervan nam Bach vier weken vakantie op en vertrok te voet naar Lübeck. Bach wilde hier Dietrich Buxtehude ontmoeten. Bach bleef veel langer weg dan de overeengekomen vier weken en kwam pas na zestien weken (in februari 1705) terug in Arnstadt. Bach werd hiervoor door het consistorium berispt. Tegelijkertijd werd hem meegedeeld dat zijn koralen ‘te ingewikkeld waren’, waardoor de gemeente in de war raakte, dat zijn koraalpreludes te lang waren en dat hij nog steeds weigerde met het schoolkoor te musiceren. Bach reageerde op het verwijt dat zijn koraalpreludes te lang waren door voortaan alleen veel te korte koraalpreludes te spelen; op de andere punten reageerde hij niet of met maanden vertraging.
Ondanks de vele conflicten, was de periode in Arnstadt wel de tijd waarin hij, zoals zijn zoon Carl Philipp Emanuel Bach dat later zou schrijven, 'de eerste vruchten van zijn vlijt' toonde: de eerste cantates (in relatief kleine bezetting) als ook de eerste representatieve orgelwerken.
Verblijf in Mühlhausen (1707-1708)
Na deze 'Sturm- und Drang'-periode belandde Bach in 1707 in Mühlhausen om daar organist te worden van de Divi Blasiikirche. Begin 1708 voerde Bach daar zijn eerste cantate in zeer grote vocaal-instrumentale bezetting uit: 'Gott ist mein König' dat hoogstwaarschijnlijk gemodelleerd is naar twee grote oratoriumcomposities van de Noord-Duitse componist Dieterich Buxtehude, die Bach in de winter van 1705-6 persoonlijk in Buxtehude's woonplaats Lübeck van zeer nabij heeft leren kennen, als medespeler in het orkest. In 1707 huwde hij zijn nicht Maria Barbara Bach. Na een ambtstijd van slechts een jaar vertrok Bach naar Weimar, waar hij negen jaar zou blijven.
Verblijf te Weimar (1708-1717)
In 1708 werd Bach hoforganist en kamermusicus, later concertmeester van Willem Ernst, hertog van Saksen-Weimar, een strenggelovig maar kunstminnend vorst. In deze periode componeerde Bach het overgrote deel van de orgelwerken waarmee hij later beroemd geworden is. Hij maakte in deze periode furore als virtuoos organist, klavecinist en als briljant componist. Het verhaal deed de ronde dat Bach op het orgelpedaal loopjes kon uitvoeren die de meeste organisten niet eens met de handen gespeeld kregen. Bach onderhield collegiale betrekkingen met Georg Philipp Telemann de toenmalig concertmeester van het hof in Eisenach, die peetvader zou worden van zijn tweede zoon Carl Philipp Emanuel. In Weimar werden zes van Bachs kinderen geboren. Door interne conflicten in de hertogelijke familie, die het hofleven sterk beïnvloedden, keek hij gaandeweg uit naar een post elders. Het vorstenhof in Köthen bood hem die kans.

Kapelmeester te Anhalt-Köthen (1717-1723)
In 1717 werd hij kapelmeester aan het Hof van de muziekminnende vorst Leopold van Anhalt-Köthen (1694-1728) in diens vorstendom Anhalt-Köthen. Tegenover Weimar betekende dit een verdubbeling van zijn bezoldiging. Bachs salaris was even hoog als dat van de hofmaarschalk, de op een na hoogste functionaris aan het Hof. De aanstelling betekende een radicale breuk met de functies die Bach tot dan toe had uitgeoefend. Het Hof te Köthen was calvinistisch, zodat er geen plaats was voor een 'gereguleerde' kerkmuziekpraktijk naar Lutherse opvatting. Van hofkapelmeester Bach werd verwacht dat hij zich toelegde op wereldlijke muziek als concerten, feesten en speciale gelegenheden zoals de verjaardag van de prins. Bach kreeg de leiding van een klein (17) beroepsensemble van een zeer hoog muzikaal niveau. De kern ervan werd gevormd door acht kamermusici, waarvan er vijf solist waren geweest in de Pruisische hofkapel in Berlijn en Potsdam. In de zes jaar die hij in Köthen werkte, schreef hij voornamelijk stukken voor kamerorkesten en solo-instrumenten; 'pour le divertissement et le plaisir' van vorst Leopold van Köthen en zijn hof en hovelingen.
Bachs hofmuziekrepertoire moet vrij omvangrijk zijn geweest. Toch is daarvan maar een beperkt deel bewaard gebleven, die dan voornamelijk in versies is overgeleverd van latere datum. Zelfs zijn 'Six Concerts avec Plusieurs instruments' (de zogeheten Brandenburgse Concerten) zijn niet voor het hof van Köthen bedoeld, maar zijn door Bach samengesteld uit ouder en nieuw materiaal bij wijze van 'sollicitatie' naar een functie aan het hof van de Markgraaf van Brandenburg.
Wat uit Bachs Köthemner periode is overgeleverd zijn o.a. vioolconcerten, drie sonates en suites voor vioolsolo (waarvan een de beroemde Chaconne bevat), zes suites voor violoncello solo en zes 'Franse' en zes 'Engelse' suites voor klavecimbel. Met zijn zes sonates voor concerterend klavecimbel en solerende viool uit deze tijd realiseerde hij iets nieuws. In plaats van een compositie waarin het klavecimbel (eventueel met violoncello of viola da gamba erbij) slechts een becijferde baspartij weergeeft voor te improviseren akkoorden en andere notenfiguren in de rechterhand, waardeert hij de klavierpartij op tot minstens gelijkwaardige partner van het eigenlijke solo-instrument (in de oorspronkelijke titel van deze sonatecyclus staat het klavecimbel zelfs vóór de viool vermeld).
In Köthen legde Bach enkele muziekboekjes aan voor zowel zijn vrouw als voor zijn kinderen. Daarvan zijn de 'Clavier-Büchlein' voor Anna Magdalena Bach - Bachs tweede vrouw, voor wie hij zelfs twee boekjes heeft samengesteld - en voor oudste zoon Wilhelm Friedemann Bach (als leerboek) bewaard gebleven. Die voor Carl Philipp Emanuel Bach helaas niet, alhoewel belangrijke delen ervan in de vorm van afschriften wel de tand des tijds hebben doorstaan. Bachs eerste vrouw, bij wie hij zeven kinderen had, stierf in 1720. Hij hoorde er pas van op de stoep van zijn woonhuis, bij terugkeer van een dienstreis met zijn adellijke broodheer. Het jaar daarop trouwde Bach, een weduwnaar met kleine kinderen, met de zangeres Anna Magdalena Wilcke bij wie hij dertien kinderen kreeg. Van de in totaal twintig kinderen die Bach verwekte zijn er in totaal tien op jonge leeftijd overleden. Ook in Köthen rezen voor Bach problemen die de drang naar het zoeken van een nieuwe betrekking deden toenemen. Allereerst huwde prins Leopold in 1721 een vrouw met een beduidend andere, 'lichtere' muzikale smaak. Dit deed de belangstelling van de vorst voor Bachs kunst afnemen. Bovendien moest het vorstendom - dat formeel onder Pruisen viel - bijdragen aan de financiering van het Pruisische leger. Daarom werd er gesnoeid in de kosten van onder andere de hofcultuur. Bovendien begon Bach uit te kijken naar een geschikte plek voor het voortgezette en universitaire onderwijs van zijn opgroeiende zonen Wilhelm Friedemann en Carl Philipp Emanuel.
Aan Bachs aspiratie tot het vinden van een nieuwe baan heeft het nageslacht vier belangrijke compositiecycli te danken. Allereerst de 'Brandenburgse Concerten' (zie boven). Nadat hem in 1722 het overlijden ter ore was gekomen van Johann Kuhnau, de cantor (= muziekleraar) van het Thomaskerk-internaat in Leipzig en koormeester/dirigent van kerkmuzikale uitvoeringen in de Thomaskirche en Nicolaikirche in die stad, besloot hij naar deze vacant geworden positie te solliciteren. Omdat Bach weliswaar een gymnasiumopleiding had genoten maar geen (voor zo'n functie noodzakelijke) universitaire, stelde hij toen bij wijze van 'sollicitatiepapieren' drie compositiecycli samen als onderbouwing van (geëiste) pedagogische kwaliteiten.
Zijn persoonlijke koraalvoorspelenboekje voor orgel uit Weimar voorzag hij toen pas van een pedagogisch-toepasselijk titelblad, met daarboven de titel 'Orgel-Büchlein'. Daarnaast ordende hij een verzameling van betrekkelijk losse, korte twee- en driestemmige klavecimbelstukken uit het muziekleerboekje voor de oudste zoon Wilhelm Friedemann tot een aparte dertigdelige cyclus. Het is bekend geworden als 'de twee- en driestemmige inventionen' En tot slot bracht hij reeds bestaande Praeludia en Fuga's - al dan niet bewerkt - met nieuwe samen tot zijn beroemde klavecimbelcyclus Das Wohltemperierte Klavier, waarin 24 muziekstukken in alle grote- en kleine-tertstoonsoorten zijn geschreven.
Cantor te Leipzig (1723-1750)
Bachs aanstelling volgde en in 1723 verhuisde hij naar Leipzig, destijds een belangrijk cultureel en handelscentrum met vooraanstaande boek- en muziekuitgeverijen, een gereputeerde universiteit en de alom bekende Leipziger Messe (beurs). Bach schreef hier het overgrote deel van zijn cantates. In totaal niet minder dan vijf volledige jaargangen. Hiervan is vermoedelijk 60% (circa 200) bewaard gebleven.
In 1731 bedacht hij voor de installatie van de nieuwe stadsraad van Leipzig een meesterlijke cantate (BWV 29 Wir danken Dir, Gott, wir danken Dir) met een indrukwekkende instrumentale bezetting, compleet met pauken en trompetten. In Leipzig was hij koormeester van de Thomaskerk en leraar aan de Thomasschule. Zijn relatie met het stadsbestuur was slecht en men zag hem als een wat vreemde koppige oude man die met verouderde contrapuntische muziek bezig was. Bovendien werd Bach meer gezien als een organist dan als een componist. Bach was dan ook niet bepaald de eerste keus van het gemeentebestuur. Uiteindelijk werd Bach pas benoemd nadat de componisten Georg Philipp Telemann en Christoph Graupner hadden bedankt. De bekendste werken die hij hier componeerde waren de Matthäus Passion, de Johannes Passion, het Weihnachtsoratorium, het tweede deel van het Wohltemperierte Klavier (eveneens 24 preludes en fuga's), de Mis in b klein (Hohe Messe), de motetten, het Magnificat (voor Kerstmis 1723) en de vier delen van de zogenaamde Klavierübung, waaronder deel één met zes Partita's voor klavecimbel en deel vier met de Goldberg Variaties